• #6

    Deze ochtend in het nieuws: Burgemeester van Luik vaardigt samenscholingsverbod uit om scholieren weer in alle rust naar school te kunnen laten gaan.

  • #5. Steden en Fractalen

           Wanneer de kapitein en zijn bemanning de woeste golven van de Purperen Zee achter zich laten, en met opgelucht hart de Malenta opvaren, zien ze in de verte de stad Talip aan de horizon verschijnen.

           Ze juichen, springen op en neer op het dek van hun gehavend schip en vallen lachend in elkaars uitgeputte armen. Jubelend dagdromen ze over heerlijke maaltijden, zachte bedden en de warme omhelzing van de vrouwen die op hen wachten.

           Op de boeg van het schip kijkt een reiziger naar de stad die in de verte opdaagt. Hij glimlacht om de vreugde die de matrozen voelen, en haalt zelf ook opgelucht adem.
         Hij is blij dat de reis er eindelijk op zit, en betaalt bij ontscheping de kapitein maar wat graag zijn zeven goudmunten.

           Talip is een stad die zijn gelijke niet kent. Anders dan andere metropolen, die ooit een jeugd kenden als een gehucht of dorp, werd Talip al bij geboorte tot volwassenheid gedwongen. Muren werden opgetrokken, straten geplaveid, boogbruggen, rotondes en klaterende fonteinen geïnstalleerd nog voor haar eerste bewoner ooit voet zette in de stad, of ook maar wist dat ze bestond.
           Door het overslaan van haar jeugd kent Talip geen achterland; geen voorsteden of buitenwijken die buiten haar muren ontspruiten en groeien of inkrimpen samen met haar voor- of tegenspoed. Die concepten zijn haar vreemd. Anders dan andere steden bestaat Talip niet uit afzonderlijke gebouwen die door de jaren heen zijn opgetrokken, vermoeid tegen elkaar leunen en samen een onbegrijpelijke wirwar aan lanen, straten en vuile steegjes vormen.
           Neen, Talip IS het gebouw. Iedereen die er woont deelt één dak dat er altijd is geweest, en woont samen met alle andere inwoners tussen onveranderlijke buitenmuren. De hele stad is één gigantische zeshoek, met kaarsrechte buitenmuren zo hoog als een kathedraal, rustend in een gouden bed van glooiende tarwevelden zover men kijken kan.

           De reiziger, die na ontschepen de stad binnengaat, wordt opgeslokt door de gonzende bedrijvigheid en geordende chaos die eigen is aan Talip. Karren en ruiters paraderen over brede lanen, omzoomd door trottoirs waar magiers, academici, soldaten, leerjongens en marktkramers van allerlei slag zich naarstig verder spoeden, als termieten in hun nest.
           Aan weerszijden verrijzen statige herenhuizen met hoge boogpoorten waarachter binnentuinen met overdekte gaanderijen voor verfrissing zorgen, en waar koetsen klaar staan , op koeren getegeld in graniet — blauw, grijs of groen — om de heer en vrouw des huizes te ontvangen en te vervoeren naar evenementen in de binnenstad, waar ze zullen drinken, lachen en keuvelen met personen die ze even belangrijk achten als zij.
           De gevels van deze paleizen zijn vervaardigd in wit stucwerk met versieringen — krullen, bloemen, kelken en schilden met heroïsche taferelen — en hebben hoge boogramen op drie verdiepingen. Bovenop de zolderverdiepingen, waar de ramen kleiner en rond van vorm zijn, liggen geen pannendaken, maar staan stevige, met krullen versierde relingen uit marmer — wit en rood — waarachter karren en ruiters paraderen over brede lanen omzoomd door trottoirs waarover magiers, academici, soldaten, leerjongens en marktkramers van allerlei slag zich naarstig verder spoeden. De herenhuizen aan deze lanen hebben eveneens gevels van wit stucwerk en hoge boogramen op drie verdiepingen.
           Laag op laag, laan boven laan, gevel op gevel, raam boven raam, stapelt de stad zich zo op, wordt — op een hoogte die de reiziger doet duizelen — bekroond door een boogdak van glas in lood, waardoor de zon met zijn gouden stralen naar binnen breekt en het geheel in een gouden gloed drenkt.
           Het geroezemoes van bedrijvigheid gonst doorheen de torenhoge hal, mengt zich met het gesuis van de vleugelslagen van Mantichoren, Pegasi en draakachtigen die er rondvliegen en de ruiters op hun ruggen naar een bestemming brengen. Het lawaai stijgt krullend en klaterend op, weergalmt tegen het glazen boogdak, druist samen met de zonnestralen weer naar beneden om zich daar gonzend te vermengen met zichzelf.

           Aan de eerste grote rotonde, waar — afhankelijk van de windrichting waaruit hij kwam — de reiziger het kolossaal bronzen standbeeld van een man, draak, pegasus, slang, panter of arend aantreft, voegen lanen uit alle windrichtingen zich samen en draait de mensenmassa traag maar gestaag, als in aanbidding, rond het voetstuk van de god heen, op zoek naar de juiste afslag.
           De verschillende niveaus van de stad worden hier met elkaar verbonden door elegante boogbruggen en schuine op- en afritten die zich in een wirwar van gehouwen graniet en blinkend marmer door en over elkaar heen lijken te wikkelen, als een geordende wirwar spaghettislierten, maar waar noch kar, noch koets, noch ruiter één moment hoeft aan te schuiven en vliegende wezens aan een rotvaart doorheen scheren zonder dat het ooit tot een botsing komt.
           Slaat de reiziger op deze rotonde rechtsaf, dan verlaat hij de hoofdstraat naar het centrum van de stad, en vindt zichzelf in een rustigere, maar al even grootse laan met herenhuizen. Hier tellen bankiers hun zilvermunten en meten zijdehandelaars met vinger en elleboog de lengte van rollen stof in cyaan, scharlaken, bordeaux of paars. Ze knippen, naaien en stikken de lappen aan elkaar, maken nieuwe jurken voor de vrouwen van ettelijk edelman, om te dragen op het koninklijk bal.
           Slaat de reiziger bij de volgende kruising nogmaals rechtsaf, dan ziet hij de straten versmallen tot vier kar breed, ziet hij achter keurig glas in lood kaarsenmakers en boekbinders gebogen over hun werkbanken staan, en moet hij uitwijken voor de karren van wapensmeden die op het trottoir voor hun smidses geparkeerd staan. Leerjongens laden er de gloednieuwe hellebaarden en maliënkolders in die de stadswacht bestelde.
           Slaat de reiziger bij de volgende kruising nogmaals rechtsaf, dan dient hij gedag te zeggen aan het daglicht. Hier zijn de straten ondergebracht in lange rechte tunnels. Ze worden verlicht door magische kristallen die onder het plafond op en neer hangen te deinen en de straat onderdompelen in een warme gloed. De gevels zijn hier simpel maar netjes, opgetrokken uit baksteen, met glasramen in vier delen en voordeuren uit massief eikenhout met gietijzeren kloppers. Schoenmakers zitten in open werkplaatsen de laarzen van de kaarsenmakers te herstellen. Aan de andere kant van de straat behandelen leerlooiers huiden in stinkende baden, vormen ze om tot lappen leer voor de laarzen van volgend jaar.
           Slaat de reiziger bij de volgende kruising nogmaals rechtsaf, dan vindt hij zichzelf in een nauwe steeg. Hier staan de gevels zo dicht bij elkaar dat twee karren elkaar nog nauwelijks kunnen kruisen. De huizen zijn hier klein en bekrompen, met nauwe raampjes zonder glas en deuren die al decennia niet geschilderd zijn. Voor de drie verdiepen van elke gevel zijn houten hangbruggen gespannen waar nog meer voordeuren van woningen zijn en vaalgeel linnen over de reling te drogen hangt. Lampwachten doen de ronde om toortsen en olielampen van brandstof te voorzien. Dronken arbeiders strompelen de kroeg uit, zoeken steun op elkaars schouders, spuwen in de goot. Het zure sap uit hun monden vermengt zich met het waswater van hun kloeke vrouwen, wordt er één gortig mengsel mee, dat samen een weg zoekt naar het riool.
           Slaat de reiziger bij de volgende kruising nogmaals rechtsaf, dan kan hij zijn linker- en rechterwijsvingers gelijktijdig over de vochtige wanden van de steeg halen, en vult de geur van schimmel zijn neusgaten. Gedaantes met brede schouders en zwarte mantels duwen hem grommend opzij in het voorbijgaan en leprozen zonder benen klampen zich vast aan zijn broekspijpen, smekend om een koperstuk. In de muren zitten gaten gevuld met duisternis waar schimmige figuren bier drinken uit grote houten pullen, worst van hun dolkpunten eten en hem met roodomrande ogen argwanend nakijken.
           Slaat de reiziger bij de volgende kruising een laatste keer rechtsaf, dan glijd zijn blik omhoog over een blinde muur van de vloer tot het plafond, vraagt hij zich af wat hem hier bracht en wat hij hier eigenlijk te zoeken heeft en slaat de paniek hem om het hart. Hij draait zich om, botst tegen de borst van een breedgeschouderde gedaante in een zwarte mantel en valt op de grond. Roodomrande ogen kijken grijnzend op hem neer. Op de dolkpunt zit geen worst meer.

     Over de Golven van de Purperen Zee kijkt een reiziger vanop de boeg van een schip toe hoe Talip opdoemt aan de horizon.
           Hij zal tot zes maal toe linksaf slaan.

    1,1,2,3,5,8,…

  • #4. Zou ik?

    Ik sta naast de kop van Brethos, streel zijn schubben, voel de hitte van zijn adem zinderen in de avondlucht.
           Het geel in zijn oog spreekt tot me over vertrouwen, het vuur in zijn gitzwarte pupil over bereidheid tot tirannie.
           Herkenbaar. Wat wij twee doen, doen we samen, zo is het altijd al geweest.

           Soms vraag ik me af of hij ‘s nachts ook droomt;
                  over gehuil, geschreeuw, gejammer,
                  hellevuur,
                  de geur van brandend mensenvlees.
           Of hij in het donker wakker schiet;
                  rillend,
                  badend in het zweet.
           Dromen draken?
                  Niemand die het weet.

     Mijn hand glijdt naar mijn riem, dwaalt over leer met gouden franjes, blijft liggen op het heft van mijn zwaard.

           Zou ik?

    Eén snelle steek, door schub en been, doorheen de keel, tot in de stam van het brein. Het zou de eenvoud zelve zijn.
           Cyclus doorbroken, gedaan met doden. De laatste drakenrijder hangt zijn zadel aan de haak.

           Ik kan maar dromen.

    Brethos kijkt me aan, wacht, seint geduldigheid. Ik laat mijn adem los, blaas de gedachte van me af.
           Het zadel voelt vertrouwd, streelt de binnenkant van mijn dijen wanneer ik het bestijg. Het vizier van mijn helm knarst, leren teugels kraken.

           Brethos’ brul splijt de eerste schemering van de nacht.

    “I lay back on the grass among fallen trees and the sun on my palm felt like a knife I could use to bleed myself dry with one swift cut to the jugular.”

    Wat een kanjer! Met die IJ-ZER-sterke zin begint Ariana Harwicz haar roman “Die, my love“.  

    In de schrijfles lazen we het eerste hoofdstuk. Dat gaat over een vrouw en haar intrusies of dwanggedachten. We hebben ze allemaal, die gedachten die je eigenlijk helemaal niet wilt of hoort te denken, maar toch zijn ze daar dan plots, voor eventjes.

    We gingen ermee aan de slag, schreven woorden op papier. 
    Of het me lukte zonder het over draken te hebben?
    Uiteraard niet.

  • #3

    Enkele jaren terug kwamen ze me halen.

    Ik stond daar, jong, naïef, op de rand van het strand, met mijn lange sprietjestenen in het zand . Ik genoot van de warme carraïbenbries die blies door mijn groene manen.
           Naast me ma en pa: groot, sterk, met dikke verweerde basten en een waaier van donkergroen loof boven hun hoofd.
           Dat loof beschermde me als een parasol tegen te felle wind en zonneschijn.

           Veilig.

    Kleine snotjongens waren het. In slippers, shorts, te grote voetbalshirts, met goedkope namaak rayban zonnebrillen.
           Terwijl ze lustig kwebbelden in Spaans, of Portugees, weet ik veel, groeven ze het zand onder me vandaan. Met veel gesleur en getrek maakten ze me los, doorkliefden verstrengelde wortels van mij en ma en pa met scherpe spadebladen.
           Mijn hartensap bloed nog steeds als ik eraan denk.

    Angstig gejammer van ma, machteloos geschreeuw van pa, de pijnscheut bij de laatste hak van een vlijmscherpe stalen schep, en dan….

           Eenzaamheid.

    Ze ramden mijn verhakselde benen in een plastic rode kamerplantenpot.
           Ik voelde de overgebleven stukjes mama papawortel nog zitten, bloedend, zinderend.
           Weken later ook nog trouwens, maar dan rot.

    Nu sta ik hier.
           Jaren later.
                  Ik ben gegroeid,
                         krijg water,
                                vul de kamer,
           groei en bloei met de seizoenen mee.

    In mijn plastic rode kamerplantenpot.

           Eenzaam.

    Inspiraties:
    – Een foto van een gigantische kamerplant in een rode kamerplantenpot in het midden van een woonkamer.
    – De woorden “Schrijf vanuit het perspectief van het meest dominante object op de foto.”

  • #2. Het stokstaartje

    Ondanks de hitte en de schroeiende middagzon bevond ik me in de Zuid-Afrikaanse savanne. Ik slenterde daar door het dorre gras toen een stokstaartje me vanop een nabije grasduin toeriep.
           “Hey! Ja hey, jij daar!” klonk het.
           “Goedemiddag”, groette ik het stokstaartje, terwijl ik dichterbij kwam.
    In de grasduin was een groot hol gegraven.
           “Ben je niet goed snik?” vroeg het stokstaartje.
           “Toch wel!”, antwoordde ik verontwaardigd.
           “Wat loop je hier te doen dan, zo rond het middaguur?” vroeg hij.
           “Ik maak een wandeling”, zei ik.
           “Om twaalf uur?”
           “Ja.”
           “Straks val je om van de hitte.”
           “Nou, dat valt wel mee hoor, ik heb een hoed op”, zei ik.
    Het stokstaartje schudde afkeurend zijn hoofd.
           “Niet goed snik die mensen”, zei hij. “Geen enkele. Wandelen op het middaguur. Tsss”, siste hij tussen zijn tanden.
           “Nu ja, dan ga ik maar weer”, zei ik.
           “Heb je geen dorst?”
           “Nee. Mja. Hmmm. Misschien een beetje”, gaf ik toe.
    Het stokstaartje liep naar de ingang van zijn hol en wenkte me.
           “Kom dan binnen, ik heb water in de keuken”, klonk het.

    Ik volgde het stokstaartje het hol in. De gang was krap voor me en ik moest bukken, maar voor een stokstaartje was de ingang vast royaal en gigantisch.
           “Heb je een groot hol?” vroeg ik.
           “Best wel, we wonen hier met een groep van zesendertig. Dat is veel, zelfs voor stokstaartjes,” legde het stokstaartje uit. “Het is hier geen paleis, maar het is gerieflijk.”
    Ik bukte om een uitstekende wortel te ontwijken. De gang werd steeds lager, en ik vervolgde mijn weg op handen en knieën.
           “En dan heb je natuurlijk nog de onderhoudsploeg”, zei het stokstaartje. “Die zijn met tien. De keuken is hier de hoek om, pas op voor je hoofd.”

    De gang was ondertussen zo nauw dat ik op mijn buik voortkroop. Het zonlicht achter me verviel tot schemering en werd vervangen door een gele gloed van honderden vuurvlieglarven in de gangwand.
           “Oh, dus er wonen hier zesenveertig stokstaartjes?” vroeg ik.
    Het stokstaartje grinnikte.
           Zesenveertig stokstaartjes? Ha, laat me niet lachen. Zoveel poep houdt de onderhoudsploeg toch heus niet bij? Ze kunnen nu al niet volgen. Zesendertig zei ik toch, hoor je niet goed?
    Hij liep een ruimte in links van de gang en wees naar de ruimte er recht tegenover.
           “Dat is het kleinste kamertje, mocht je het straks nodig hebben.”

    Ik hield halt en keek naar binnen. Een mestkever in een blauwe overall rolde een grote mestbal voor zich uit. Hij hield halt voor me.
           “Kan je even aan de kant gaan als het je uitkomt?” vroeg hij geagiteerd. “Je staat in de weg, en we liggen al achter op schema.”
           “Oh sorry”, zei ik verontschuldigend.
    Ik perste mezelf tegen de gangwand zodat de mestkever kon passeren. Er volgde nog een treintje van zeven mestkevers met elk een mestbal.
           “Zoveel stront vandaag”, gromde de eerste.
           “Mike en Magda zijn al dagen ziek, maar wordt daar rekening mee gehouden, denk je?” mopperde de tweede.
           “Elke dag weer die torenhoge schijthoop hier. Beu zijn we het!” riep de derde.
           “Wij eisen werkbaar werk!” viel de vierde bij.
           “Morgen staken we!” riep de vijfde. “En de dag nadien ook.”
           “We zullen wel zien wie dan de shit opkuist!” galmde de zesde.
    De zevende zei niets, maar keek me met grote kwade ogen intens aan. Hij zwaaide met een wit bord met rode letters.
           “STANK VOOR DANK!” stond erop.
           “Minder kak!” scandeerden de mestkevers terwijl ze me passeerden.
           “Meer chillen!”

    Ik schudde verward mijn hoofd en kroop de keuken in. Het was een langwerpige ruimte waar ik bijna rechtop kon zitten. In het midden stond een lange eikenhouten tafel met een rij stoeltjes aan weerszijden. Achterin was er een open haard waarboven een ketel soep aan het pruttelen was, en een arduinen pompbak met daarin een gigantische stapel vuile afwas. Het stokstaartje pompte met een grondpomp water in een houten emmer zo groot als een glas.
           “De onderhoudsploeg doet al enkele weken lastig. Verbitterde zuurpruimen”, sprak hij.
           “Ja blij zijn ze precies niet”, viel ik hem bij.
           “Giftig geneut als je het mij vraagt”, zei het stokstaartje.
    Hij overhandigde me de emmer.
           “Hoog tijd dat we ze buitengooien. Maar ja dat is moeilijk. Vakbonden, weet je wel?”
           “O ja”, zei ik.
    Ik zette de emmer aan mijn lippen. Het water was koel en smaakte zoet.
    Het stokstaartje keek zwijgend toe terwijl ik de emmer leegdronk.
           “Dankjewel”, zei ik toen hij leeg was.
    Ik gaf hem terug aan het stokstaartje.
           “Geen dank”, zei deze. “Maar ga maar snel weer huiswaarts. Wandelen op het middaguur is waanzin!”
    Ik besloot hem niet tegen te spreken.
           “Nou dag dan maar weer, en een goede reis”, sprak het stokstaartje.
           “Prettige dag verder”, zei ik, en kroop naar buiten.
           “Gebruik gerust mijn toilet nog voor je verder gaat”, riep het stokstaartje me nog na.
           “Neen, dankje. Het lukt me nog wel even. Toch bedankt.” riep ik.

    De zon was fel buiten. Ik hield een hand voor mijn ogen terwijl ik overeind kroop. De mestkevers van de onderhoudsploeg liepen er in een cirkeltje rond een hoop mestballen die ze voor het hol hadden opgestapeld. Die hadden ze in brand gestoken. De mestkever met het witte bord met rode letters liep voorop en keek extra kwaad.
           “Werkbaar werk!” scandeerden de mestkevers.
    Ze wierpen synchroon hun gebalde vuistjes in de lucht.
           “Minder kak!” keelden ze schor.
           “Meer chillen!”

    Ik vervolgde mijn wandeling. De duinen golfden rond me, en een lichte bries deed het dorre gras heen en weer deinen. De blauwe lucht omarmde me.
           “Minder kak! Meer chillen!” klonk het nog achter me.
    De wind verwaaide de woorden.
           Ik hoorde ze niet meer.

    Inspiraties:
    – Armando ~ Dierenpraat
    – Dit feeëriek (zij het niet al te wetenschappelijk) pareltje op wikipedia:


    “Stokstaartjes leven in zuidelijk Afrika, vooral op droge open vlakten. Ze leven in groepen van maximaal dertig. De holen van grondeekhoorns lijken de geschikte plaats om te verblijven voor stokstaartjes. Deze holen bouwen ze uit tot gangenstelsels, soms tot een oppervlakte van 15 m². Een volwassen dier kan zijn eigen gewicht aan zand uitgraven in nauwelijks 10 seconden. In de holen worden speciale kamers aangelegd: slaapkamers, kraamkamers en zelfs toiletten. De toiletten worden schoongemaakt door de mestkevers waarmee ze samenleven. Elke dag rollen de mestkevers de uitwerpselen van de stokstaartjes naar buiten en leggen er hun eitjes in. Als deze uitkomen, hebben de stokstaartjes weer een nieuwe schoonmaakploeg. De mestkevers kunnen ongestoord hun gang gaan: de stokstaartjes zullen ze nooit eten, omdat ze voor hen erg giftig zijn. Stokstaartjes delen de woestijn met hagedissen, schorpioenen en grondeekhoorns. Ze zijn alert op het gevaar van roofvogels. ’s Nachts trekken ze zich terug in hun hol, want de nachten kunnen bitter koud zijn en de gevaren die buiten op de loer liggen zijn groot.”

  • #1. De man en ik

    elke morgen maakt hij koffie
    dan schuifelen zijn handen over die oude inox koffiepot
    ze zoeken, zoeken
    elke dag dezelfde dingen

    deksel, handvat, koffieblik, gekerfde houten koffieschep
    drie lepels, zo sterk hoort dat
    hij doseert door met zijn vingers tastend
    koffiehoopjes plat te wrijven
    soms smost hij wat

    ik kijk toe terwijl het zwarte brouwsel borrelt
    zie stoom opstijgen
    doorheen de wanden van mijn bolle glazen waterbel

    hij is stil
    ik ben stil

    we wachten op een fluitgesis
    dat ik door water heen
    gedempt zal horen

    Inspiraties:
    – Babak Habibifar ~The Fish and I

  • Hallo

    ik ben Asger, en ik schrijf mensentaal
    op drie/drie wordt ik drieëndertig plus drie
    drie maal drie maal vier
    ‘Jesus age’ plus één elfde

    Vanaf dan vinden jullie mijn mensentaal hier

als schrijver verzin ik werelden
schrijf woorden op wit papier
soms herschik ik ze
tot ik er wat in zie

ik kan je ze bezorgen
om te lezen op een zondagmorgen
bij een kopje koffie
of een tasje thee


Dit zal sluiten in 0 seconden