Enkele jaren terug kwamen ze me halen.
Ik stond daar, jong, naïef, op de rand van het strand, met mijn lange sprietjestenen in het zand . Ik genoot van de warme carraïbenbries die blies door mijn groene manen.
Naast me ma en pa: groot, sterk, met dikke verweerde basten en een waaier van donkergroen loof boven hun hoofd.
Dat loof beschermde me als een parasol tegen te felle wind en zonneschijn.
Veilig.
Kleine snotjongens waren het.
In slippers, shorts, te grote voetbalshirts, met goedkope namaak rayban zonnebrillen.
Terwijl ze lustig kwebbelden in Spaans, of Portugees, weet ik veel, groeven ze het zand onder me vandaan. Met veel gesleur en getrek maakten ze me los, doorkliefden verstrengelde wortels van mij en ma en pa met scherpe spadebladen.
Mijn hartensap bloed nog steeds als ik eraan denk.
Angstig gejammer van ma, machteloos geschreeuw van pa, de pijnscheut bij de laatste hak van een vlijmscherpe stalen schep, en dan….
Eenzaamheid.
Ze ramden mijn verhakselde benen in een plastic rode kamerplantenpot.
Ik voelde de overgebleven stukjes mama papawortel nog zitten, bloedend, zinderend.
Weken later ook nog trouwens, maar dan rot.
Nu sta ik hier. Jaren later.
Ik ben gegroeid, krijg water, vul de kamer,
groei en bloei met de seizoenen mee.
In mijn plastic rode kamerplantenpot.
Eenzaam.
Inspiraties:
– Een foto van een gigantische kamerplant in een rode kamerplantenpot in het midden van een woonkamer.
– De woorden “Schrijf vanuit het perspectief van het meest dominante object op de foto.”