Auteur: Asger

  • #4. Zou ik?

    Ik sta naast de kop van Brethos, streel zijn schubben, voel de hitte van zijn adem zinderen in de avondlucht.
    Het geel in zijn oog spreekt tot me over vertrouwen, het vuur in zijn gitzwarte pupil over bereidheid tot tirannie.
    Herkenbaar. Wat wij twee doen, doen we samen, zo is het altijd al geweest.

    Soms vraag ik me af of hij ‘s nachts ook droomt;

    over gehuil, geschreeuw, gejammer,

    hellevuur,

    de geur van brandend mensenvlees.

    Of hij in het donker wakker schiet;

    rillend,

    badend in het zweet.

    Dromen draken?

    Niemand die het weet.

    Mijn hand glijdt naar mijn riem, dwaalt over leer met gouden franjes, blijft liggen op het heft van mijn zwaard.

    Zou ik?

    Eén snelle steek, door schub en been, doorheen de keel, tot in de stam van het brein. Het zou de eenvoud zelve zijn.
    Cyclus doorbroken, gedaan met doden. De laatste drakenrijder hangt zijn zadel aan de haak.

    Ik kan maar dromen.

    Brethos kijkt me aan, wacht, seint geduldigheid.
    Ik laat mijn adem los, blaas de gedachte van me af.
    Het zadel voelt vertrouwd, streelt de binnenkant van mijn dijen wanneer ik het bestijg.
    Het vizier van mijn helm knarst, leren teugels kraken,

    Brethos’ brul splijt de eerste schemering van de nacht.

    “I lay back on the grass among fallen trees and the sun on my palm felt like a knife I could use to bleed myself dry with one swift cut to the jugular.”

    Wat een kanjer! Met die IJ-ZER-sterke zin begint Ariana Harwicz haar roman “Die, my love“.  

    In de schrijfles lazen we het eerste hoofdstuk. Dat gaat over een vrouw en haar intrusies of dwanggedachten. We hebben ze allemaal, die gedachten die je eigenlijk helemaal niet wilt of hoort te denken, maar toch zijn ze daar dan plots, voor eventjes.

    We gingen ermee aan de slag, schreven woorden op papier. 
    Of het me lukte zonder het over draken te hebben?
    Uiteraard niet.

  • #3

    Enkele jaren terug kwamen ze me halen.

    Ik stond daar, jong, naïef, op de rand van het strand, met mijn lange sprietjestenen in het zand . Ik genoot van de warme carraïbenbries die blies door mijn groene manen.
    Naast me ma en pa: groot, sterk, met dikke verweerde basten en een waaier van donkergroen loof boven hun hoofd.
    Dat loof beschermde me als een parasol tegen te felle wind en zonneschijn.

    Veilig.

    Kleine snotjongens waren het.
    In slippers, shorts, te grote voetbalshirts, met goedkope namaak rayban zonnebrillen.
    Terwijl ze lustig kwebbelden in Spaans, of Portugees, weet ik veel, groeven ze het zand onder me vandaan. Met veel gesleur en getrek maakten ze me los, doorkliefden verstrengelde wortels van mij en ma en pa met scherpe spadebladen.
    Mijn hartensap bloed nog steeds als ik eraan denk.

    Angstig gejammer van ma, machteloos geschreeuw van pa, de pijnscheut bij de laatste hak van een vlijmscherpe stalen schep, en dan….

    Eenzaamheid.

    Ze ramden mijn verhakselde benen in een plastic rode kamerplantenpot.
    Ik voelde de overgebleven stukjes mama papawortel nog zitten, bloedend, zinderend.
    Weken later ook nog trouwens, maar dan rot.

    Nu sta ik hier. Jaren later.
    Ik ben gegroeid, krijg water, vul de kamer,
    groei en bloei met de seizoenen mee.

    In mijn plastic rode kamerplantenpot.
    Eenzaam.

    Inspiraties:
    – Een foto van een gigantische kamerplant in een rode kamerplantenpot in het midden van een woonkamer.
    – De woorden “Schrijf vanuit het perspectief van het meest dominante object op de foto.”

  • #2. Het stokstaartje

    Ondanks de hitte en de schroeiende middagzon bevond ik me in de Zuid-Afrikaanse savanne. Ik slenterde daar door het dorre gras toen een stokstaartje me vanop een nabije grasduin toeriep.
    “Hey! Ja hey, jij daar!” klonk het.
    “Goedemiddag”, groette ik het stokstaartje, terwijl ik dichterbij kwam.
    In de grasduin was een groot hol gegraven.
    “Ben je niet goed snik?” vroeg het stokstaartje.
    “Oh, dat valt best mee hoor”, antwoordde ik.
    “Wat loop je hier te doen dan, zo rond het middaguur?” vroeg hij.
    “Ik maak een wandeling”, zei ik.
    “Om twaalf uur?”
    “Ja.”
    “Straks val je om van de hitte.”
    “Nou, dat valt wel mee hoor, ik heb een hoed op”, zei ik.
    Het stokstaartje schudde afkeurend zijn hoofd.
    “Niet goed snik die mensen”, zei hij. “Geen enkele. Wandelen op het middaguur. Tsss”, siste hij tussen zijn tanden.
    “Nu ja, dan ga ik maar weer”, zei ik.
    “Heb je geen dorst?”
    “Nee. Nou ja. Misschien een beetje”, gaf ik toe.
    Het stokstaartje liep naar de ingang van zijn hol en wenkte me.
    “Kom dan binnen, ik heb water in de keuken”, klonk het.

    Ik volgde het stokstaartje het hol in. De gang was krap voor me en ik moest bukken, maar voor een stokstaartje was de ingang vast royaal en gigantisch.
    “Heb je een groot hol?” vroeg ik.
    “Best wel, we wonen hier met een groep van zesendertig. Dat is veel, zelfs voor stokstaartjes,” legde het stokstaartje uit. “Het is hier geen paleis, maar het is gerieflijk.”
    Ik bukte om een uitstekende wortel te ontwijken. De gang werd steeds lager, en ik vervolgde mijn weg op handen en knieën.
    “En dan heb je natuurlijk nog de onderhoudsploeg”, zei het stokstaartje. “Die zijn met tien. De keuken is hier de hoek om, pas op voor je hoofd.”

    De gang was ondertussen zo nauw dat ik op mijn buik voortkroop. Het zonlicht achter me verviel tot schemering en werd vervangen door een gele gloed van honderden vuurvlieglarven in de gangwand.
    “Oh, dus er wonen hier zesenveertig stokstaartjes?” vroeg ik.
    Het stokstaartje grinnikte.
    “Zesenveertig stokstaartjes? Ha, laat me niet lachen. Zoveel poep houdt de onderhoudsploeg toch heus niet bij? Ze kunnen nu al niet volgen. Zesendertig zei ik toch, hoor je niet goed?
    Hij liep een ruimte in links van de gang en wees naar de ruimte er recht tegenover.
    “Dat is het kleinste kamertje, mocht je het straks nodig hebben.”

    Ik hield halt en keek naar binnen. Een mestkever in een blauwe overall rolde een grote mestbal voor zich uit. Hij hield halt voor me.
    “Kan je even aan de kant gaan als het je uitkomt?” vroeg hij geagiteerd. “Je staat in de weg, en we liggen al achter op schema.”
    “Oh sorry”, zei ik verontschuldigend.
    Ik perste mezelf tegen de gangwand zodat de mestkever kon passeren. Er volgde nog een treintje van zeven mestkevers met elk een mestbal.
    “Zoveel stront vandaag”, gromde de eerste.
    “Mike en Magda zijn al dagen ziek, maar wordt daar rekening mee gehouden, denk je?” mopperde de tweede.
    “Elke dag weer die torenhoge schijthoop hier. Beu zijn we het!” riep de derde.
    “Wij eisen werkbaar werk!” viel de vierde bij.
    “Morgen staken we!” riep de vijfde. “En de dag nadien ook.”
    “We zullen wel zien wie dan de shit opkuist!” galmde de zesde.
    De zevende zei niets, maar keek me met grote kwade ogen intens aan. Hij zwaaide met een wit bord met rode letters.
    “STANK VOOR DANK!” stond erop.
    “Minder kak!” scandeerden de mestkevers terwijl ze me passeerden.
    “Meer chillen!”

    Ik schudde verward mijn hoofd en kroop de keuken in. Het was een langwerpige ruimte waar ik bijna rechtop kon zitten. In het midden stond een lange eikenhouten tafel met een rij stoeltjes aan weerszijden. Achterin was er een open haard waarboven een ketel soep aan het pruttelen was, en een arduinen pompbak met daarin een gigantische stapel vuile afwas. Het stokstaartje pompte met een grondpomp water in een houten emmer zo groot als een glas.
    “De onderhoudsploeg doet al enkele weken lastig. Verbitterde zuurpruimen”, sprak hij.
    “Ja blij zijn ze precies niet”, viel ik hem bij.
    “Giftig geneut als je het mij vraagt”, zei het stokstaartje.
    Hij overhandigde me de emmer.
    “Hoog tijd dat we ze buitengooien. Maar ja dat is moeilijk. Vakbonden, weet je wel?”
    “O ja”, zei ik.
    Ik zette de emmer aan mijn lippen. Het water was koel en smaakte zoet.
    Het stokstaartje keek zwijgend toe terwijl ik de emmer leegdronk.
    “Dankjewel”, zei ik toen hij leeg was.
    Ik gaf hem terug aan het stokstaartje.
    “Geen dank”, zei deze. “Maar ga maar snel weer huiswaarts. Wandelen op het middaguur is waanzin!”
    Ik besloot hem niet tegen te spreken.
    “Nou dag dan maar weer, en een goede reis”, sprak het stokstaartje.
    “Prettige dag verder”, zei ik, en kroop naar buiten.
    “Gebruik gerust mijn toilet nog voor je verder gaat”, riep het stokstaartje me nog na.
    “Neen, dankje. Het lukt me nog wel even. Toch bedankt.” riep ik.

    De zon was fel buiten. Ik hield een hand voor mijn ogen terwijl ik overeind kroop. De mestkevers van de onderhoudsploeg liepen er in een cirkeltje rond een hoop mestballen die ze voor het hol hadden opgestapeld. Die hadden ze in brand gestoken. De mestkever met het witte bord met rode letters liep voorop en keek extra kwaad.
    “Werkbaar werk!” scandeerden de mestkevers.
    Ze wierpen synchroon hun gebalde vuistjes in de lucht.
    “Minder kak!” keelden ze schor.
    “Meer chillen!”

    Ik vervolgde mijn wandeling. De duinen golfden rond me, en een lichte bries deed het dorre gras heen en weer deinen. De blauwe lucht omarmde me.
    “Minder kak! Meer chillen!” klonk het nog achter me.
    De wind verwaaide de woorden.
    Ik hoorde ze niet meer.

    Inspiraties:
    – Armando ~ Dierenpraat
    – Dit feeëriek (zij het niet al te wetenschappelijk) pareltje op wikipedia:


    “Stokstaartjes leven in zuidelijk Afrika, vooral op droge open vlakten. Ze leven in groepen van maximaal dertig. De holen van grondeekhoorns lijken de geschikte plaats om te verblijven voor stokstaartjes. Deze holen bouwen ze uit tot gangenstelsels, soms tot een oppervlakte van 15 m². Een volwassen dier kan zijn eigen gewicht aan zand uitgraven in nauwelijks 10 seconden. In de holen worden speciale kamers aangelegd: slaapkamers, kraamkamers en zelfs toiletten. De toiletten worden schoongemaakt door de mestkevers waarmee ze samenleven. Elke dag rollen de mestkevers de uitwerpselen van de stokstaartjes naar buiten en leggen er hun eitjes in. Als deze uitkomen, hebben de stokstaartjes weer een nieuwe schoonmaakploeg. De mestkevers kunnen ongestoord hun gang gaan: de stokstaartjes zullen ze nooit eten, omdat ze voor hen erg giftig zijn. Stokstaartjes delen de woestijn met hagedissen, schorpioenen en grondeekhoorns. Ze zijn alert op het gevaar van roofvogels. ’s Nachts trekken ze zich terug in hun hol, want de nachten kunnen bitter koud zijn en de gevaren die buiten op de loer liggen zijn groot.”

  • #1. De man en ik

    elke morgen maakt hij koffie
    dan schuifelen zijn handen over die oude inox koffiepot
    ze zoeken, zoeken
    elke dag dezelfde dingen

    deksel, handvat, koffieblik, gekerfde houten koffieschep
    drie lepels, zo sterk hoort dat
    hij doseert door met zijn vingers tastend
    koffiehoopjes plat te wrijven
    soms smost hij wat

    ik kijk toe terwijl het zwarte brouwsel borrelt
    zie stoom opstijgen
    doorheen de wanden van mijn bolle glazen waterbel

    hij is stil
    ik ben stil

    we wachten op een fluitgesis
    dat ik door water heen
    gedempt zal horen

    Inspiraties:
    – Babak Habibifar ~The Fish and I

  • Hallo

    ik ben Asger, en ik schrijf mensentaal
    op drie/drie wordt ik drieëndertig plus drie
    drie maal drie maal vier
    ‘Jesus age’ plus één elfde

    Vanaf dan vinden jullie mijn mensentaal hier

als schrijver verzin ik werelden
schrijf woorden op wit papier
soms herschik ik ze
tot ik er wat in zie

ik kan je ze bezorgen
om te lezen op een zondagmorgen
bij een kopje koffie
of een tasje thee


Dit zal sluiten in 0 seconden