Ik sta naast de kop van Brethos, streel zijn schubben, voel de hitte van zijn adem zinderen in de avondlucht.
Het geel in zijn oog spreekt tot me over vertrouwen, het vuur in zijn gitzwarte pupil over bereidheid tot tirannie.
Herkenbaar. Wat wij twee doen, doen we samen, zo is het altijd al geweest.
Soms vraag ik me af of hij ‘s nachts ook droomt;
over gehuil, geschreeuw, gejammer,
hellevuur,
de geur van brandend mensenvlees.
Of hij in het donker wakker schiet;
rillend,
badend in het zweet.
Dromen draken?
Niemand die het weet.
Mijn hand glijdt naar mijn riem, dwaalt over leer met gouden franjes, blijft liggen op het heft van mijn zwaard.
Zou ik?
Eén snelle steek, door schub en been, doorheen de keel, tot in de stam van het brein. Het zou de eenvoud zelve zijn.
Cyclus doorbroken, gedaan met doden. De laatste drakenrijder hangt zijn zadel aan de haak.
Ik kan maar dromen.
Brethos kijkt me aan, wacht, seint geduldigheid. Ik laat mijn adem los, blaas de gedachte van me af.
Het zadel voelt vertrouwd, streelt de binnenkant van mijn dijen wanneer ik het bestijg. Het vizier van mijn helm knarst, leren teugels kraken.
Brethos’ brul splijt de eerste schemering van de nacht.
“I lay back on the grass among fallen trees and the sun on my palm felt like a knife I could use to bleed myself dry with one swift cut to the jugular.”
Wat een kanjer! Met die IJ-ZER-sterke zin begint Ariana Harwicz haar roman “Die, my love“.
In de schrijfles lazen we het eerste hoofdstuk. Dat gaat over een vrouw en haar intrusies of dwanggedachten. We hebben ze allemaal, die gedachten die je eigenlijk helemaal niet wilt of hoort te denken, maar toch zijn ze daar dan plots, voor eventjes.
We gingen ermee aan de slag, schreven woorden op papier.
Of het me lukte zonder het over draken te hebben?
Uiteraard niet.